| Fauna | ||||||
![]() | In de top van een boom zingt vaak het mannetje van de geelgors. Hij valt op door zijn citroengele kop. De geelgors voelt zich vooral thuis langs bosranden en op de heide als er struiken en boomgroepen zijn. De geelgors blijft het hele jaar. In de zomer eet hij voornamelijk insecten, in de winter zaden. ![]() ‘Berghazen’ zijn groter van stuk dan die in het laagland. Je ziet ze vooral in de open heide. Let op de lange oren met zwarte randen die boven de heidestruiken uitsteken. Dankzij de lange achterpoten kan de haas erg hard lopen. Op een rustige plaats krabt de haas een kuil. Hier worden in februari-maart de jongen geboren. Deze zijn dan al behaard. | ![]() | ||||
In de zandverstuiving en op andere zandige plaatsen zie je soms trechtervormige kuiltjes. Zo'n trechter is aangelegd door de mierenleeuw, een insect dat in het zand onder in het kuiltje leeft. De argeloze mier die hierin terecht komt, wordt door de mierenleeuw met zijn sterke kaken gegrepen en daarna uitgezogen. Na twee zomers verpopt de mierenleeuw zich en gaat verder als een nachtdier door het leven. Hij lijkt dan op een waterjuffer. ![]() |
| ![]() | ||||
| ||||||




